SNOEIEN

Twee jaar geleden schreef ik een korte uitvaarttoespraak. Ik was daarvoor benaderd door een maatschappelijk werker van een verpleeghuis. Het ging om een bewoner wiens verleden grotendeels in nevelen gehuld was gebleven. Met alleen een paar steekwoorden, mijn inlevingsvermogen en fantasie, schreef ik een zo persoonlijk mogelijk portretje. De maatschappelijk werker liet me later weten dat men geroerd was geweest toen de tekst werd voorgelezen. Ik vond dat een fijn compliment.

Vanmorgen kwam ik die uitvaarttekst opnieuw tegen. Ik zag een paar verbeterpuntjes en schrapte een paar overbodige woorden. Met een kleine ingreep bekte één van de zinnen net wat beter.

Bestaat zoiets als een perfecte tekst?

In ‘Niemand bleef’ laat schrijver Alfred Birney zijn alter ego meneer B. zeggen dat schrappen een van de plezierigste aspecten van het schrijfproces is. Ik ben het daar niet mee eens. Niet het schrappen geeft voldoening; het is het zien dat de tekst ervan opknapt.

Een tekstschrijver is een tuinman (of tuinvrouw). Hij treft voorbereidingen, spit, ontwerpt en ontwerpt. Verder is het een kwestie van snoeien.