MEMPHIS

Joelend rent Memphis op zijn ploeggenootjes af. Zijn armpjes scheren als de vleugels van een concorde door de lucht. Dan draait hij ineens honderdtachtig graden om zijn as. Hij vindt de ogen van zijn vader langs de lijn, kijkt naar de hemel en steekt beide wijsvingers in de oren. Om zijn tengere lijf wappert een Memphis-shirt waar hij met gemak drie keer in past.

Memphis’ moeder beziet het tafereel vanuit de kantine. Ze glimlacht naar de andere moeder, waarmee ze kantinedienst heeft. ‘Tja, jongens hè...’, lacht ze schouderophalend.’

De andere moeder fiets naar huis. Evi, haar dochter van acht, is het enige meisje in het elftal van Memphis. Ze maakt verreweg de meeste doelpunten, maar viert die, in tegenstelling tot de jongetjes, ingetogen, hooguit met een gebald vuistje. De moeder denkt hierover over na. Waarom viert Evi haar goals niet met haar ploeggenootjes?

De zaterdag erop dribbelt Evi met speels gemak een paar jongetjes voorbij. Die staren haar verbouwereerd na. Eentje vloekt, een ander kijkt met betraande ogen naar de kant. Memphis staat vrij voor het doel. Met grote precisie speelt ze de bal in zijn voeten. Hij schrikt en maait over de bal. Vloekend rent hij op haar af. ‘Stomme trut, je schoot veel te hard!’

Het meisje kijkt hem onbewogen aan. ‘Ik dacht dat je klaarstond. Sorry…’, zegt ze met een blik op de andere jongetjes. Memphis keert zich nors van haar af en peilt zijn ploeggenootjes. Zijn eer lijkt gered.